Sneeuw plakt meestal niet omdat hij te koud en te droog is, of omdat het juist een verkeerd soort sneeuw is (poedersneeuw in plaats van natte “plaksneeuw”).

Belangrijkste reden: temperatuur

  • Bij temperaturen ruim onder het vriespunt blijven sneeuwvlokken droog , er ontstaat nauwelijks smeltwater tussen de kristallen. Daardoor hechten ze slecht aan elkaar en valt je sneeuwbal direct uit elkaar.
  • Rond 0 graden ontstaat er een dun laagje smeltwater tussen de vlokken, dat werkt als lijm. Dat is de klassieke plaksneeuw waar je makkelijk sneeuwballen en sneeuwpoppen mee maakt.

Soort sneeuw: poeder vs plaksneeuw

  • Poedersneeuw ontstaat bij koude, droge lucht; de vlokken zijn klein, luchtig en plakken slecht, maar zijn geweldig om doorheen te skiën of te wandelen.
  • Natte sneeuw bevat veel water en plakt juist extreem goed, waardoor je er makkelijk vormen mee kunt maken, maar het minder prettig glijdt onder ski’s of snowboards.

Praktische tips om sneeuw wél te laten plakken

  • Wacht tot het iets warmer wordt (rond het vriespunt); dan verandert droge sneeuw soms vanzelf in beter kneedbare sneeuw.
  • Probeer sneeuw stevig samen te persen: door druk stijgt de temperatuur in de bal net een beetje, wat soms net genoeg smeltwater geeft om alles te laten samenkleven.

Kort gezegd: “warme” sneeuw rond 0 °C met wat vocht = plaksneeuw, koude droge sneeuw ver onder nul = poedersneeuw die niet plakt.

TL;DR: Sneeuw plakt niet omdat hij te koud en te droog is (poedersneeuw); voor goede sneeuwballen heb je vochtige sneeuw rond 0 °C nodig.

Information gathered from public forums or data available on the internet and portrayed hier.